Audrey Hepburn

Geplaatst op zaterdag 04 oktober 2008 @ 12:26 , 1684 keer bekeken

Audrey Hepburn
20 januari 1993 - 4 mei 1993



Klasse vrouw
Bijna veertig jaar geleden, in januari 1959, viel, in een woestijn in het zuidwesten van Texas, de zwangere Audrey Hepburn van een paard en brak vier rugwervels. Het gebeurde tijdens een opname voor de film The Unforgiven, een soort western waarin ze de rol van jong indiaans meisje speelde; daarom reed ze ook zonder zadel. Het paard, een witte hengst met de fiere naam Diablo - al Audrey's biografen beweren dat hij het lievelingspaard was geweest van de nét uit Cuba weggejaagde dictator Batista - schrok zo heftig van een regie-assistent dat hij stokstijf bleef staan, zijn kop omlaag deed en tegelijk de filmster vóór hem op de grond zag smakken.

Mét de pijn vlamde een dubbele angst door haar heen: dat ze totaal verlamd zou raken én dat er 'iets' met het kind zou zijn; de artsen in het ziekenhuis stelden haar geheel gerust. Tegen haar man, Mel Ferrer, die uit Hollywood opbelde, zei ze met nadruk - hij zou zich dat nog lang herinneren als typerend voor Audrey Hepburn - dat hij niet boos op de hengst moest zijn: 'Het paard kon er niets aan doen.' Ze leed veel pijn door bloeduitstortingen, gescheurde rugspieren en verstuikte enkels, maar weigerde - ook weer typerend - zonder klagen alle narcotica en pijnbestrijders.


Haar ziekbed werd toen als volgt beschreven: 'Ze had een sneeuwwit, hoog dichtgeknoopt Victoriaans nachtgewaad aan. Heur haar was strak naar achteren getrokken en bijeengebonden met exact zo'n wit lint als haar onberispelijk verzorgde kleine Yorkshire-terriër om de hals heeft. Overal stonden witte Limoges-vazen met witte tulpen en orchideeën. Telkens wanneer ze een sigaret had gerookt, drukte ze die uit in een klein wit asbakje, gooide vervolgens de peuk in een prullenbak naast haar bed, veegde het asbakje schoon met een witpapieren zakdoekje dat ze daarna ook in de prullenbak liet vallen. Het asbakje zette ze dan weer op het tafeltje naast het bed, naast de foto's van haar man, haar stiefkinderen en... de foto van het paard dat haar afgeworpen heeft, dat, in een witleren lijst, helemaal vooraan een ereplaats heeft.'

Sprookjes prinses
Een vanzelfsprekend tafereel want Audrey Hepburn creëerde overal waar ze kwam haar eigen witte omgeving. Al halverwege de jaren vijftig constateerde de pers, met enige verbazing, dat zij en haar man, Mel Ferrer, rondreisden als een in ballingschap levend koninklijk paar. Altijd vergezeld door minstens vijftig forse koffers, die naast kleding volgepakt bleken met huisraad als tafelzilver, kandelaars en schilderijen. En, in het wit, 'beddengoed, tafellakens, twee met de hand geknoopte dekens, porselein, vazen, en haar kleine asbakjes en sigarettendoosjes van Limoges-porselein'. De inhoud van elke koffer was te vinden op een inventarislijst, de indruk bestaat zelfs dat veel meereizende voorwerpen van een etiket waren voorzien, zodat het inpakken niet zo'n probleem was. De filmster had die inpakmethode geleerd van haar moeder, barones Van Heemstra, die net als alle aristocraten van haar generatie gewoon was aan het reizen naar favoriete kuuroorden of van de ene eigen villa naar het andere eigen landhuis.

De Romeinse gravin Lorean Franchetti Gaetani-Lovatelli herkende dat ook in Audrey, en zei: 'Als ze geen filmster was geworden, zou ze een saaie societydame zijn geweest, heel formeel en aristocratisch.' Audrey Hepburn was, in de woorden van de gravin, een frisse-luchtmaniak: ze ging 's middags vaak met haar al even aristocratische hondje wandelen, en de gravin ging vaak mee, maar: 'Ik had een grote hekel aan lopen. Meestal volgde ik haar met de auto.' Toen de Griekse koning Constantijn in 1967 als balling naar Rome vluchtte, kwam hij met zijn vrouw vaak bij de Lovatelli's langs, omdat de aanwezigheid van Audrey goed voor zijn moraal was. Audrey vertoonde er voor hen haar recente thriller Wait Until Dark en daarna zaten ze tot diep in de nacht in de grafelijke keuken en bakten roereieren. Audrey leerde haar tweede echtgenoot - psychiater Andrea Dotti - kennen tijdens een lange cruise op het jacht van prinses Olimpia Torlonia, de vrouw van de Franse oliemagnaat Weiller. Niet ver van dat schip voer in die dagen een ander jacht, dat van magnaat Aristoteles Onassis, waarop Jacqueline Kennedy haar tweede echtgenoot uitprobeerde. De vergelijking gaat niet mank: Jackie was net als Audrey regerend modekoningin. In diezelfde wateren had trouwens wat eerder, in het jaar dat Audrey haar rugwervels brak, het jacht Agamemnon van de Griekse koning gevaren (dat was toen nog Paul I), met aan boord de jonge prinses Beatrix van Oranje, die later verklaarde dat ze zich daar voor het eerst tussen 'my own people' had gevoeld.


Op de set van Roman Holiday

Vlees geworden sprookje
Geeft dit bovenstaande - gebaseerd op gegevens uit haar laatste biografie - een goed beeld van Audrey Hepburn? Of is het overheersende in de herinnering toch de sprookjesprinses, dat verrukkelijke meisje op balletschoentjes dat met Roman Holiday in 1953 de wereld veroverde? (En ook nog later: toen haar tegenspeler Gregory Peck in 1983 in Peking aankwam, stonden er op het vliegveld honderden Chinese meisjes met rattenkopjes en lange rokken, later zag hij er in de stad nog veel meer - de film was toen daar pas in première gegaan.) Vooral de Amerikanen dachten dat het sprookje vlees was geworden, stelt Klaus-Jürgen Sembach (in een voorwoord bij het Duitse fotoboek Adieu Audrey): die enorme prachtige ogen op het bioscoopscherm suggereerden dat Bambi was wedergekeerd in de ranke gestalte van een ree-achtige vrouw. Maar opmerkelijk genoeg bleek al snel dat Audrey Hepburn een Europees fenomeen was, even Engels als Elizabeth II die in dat jaar 1953 gekroond werd, even vrijgevochten als haar zuster Margaret die met een burger (Peter Townsend) wilde trouwen. Ze ging naar Amerika om Europese stukken te spelen (Gigi, Ondine), creëerde mode door haar kleren uit Parijs te halen (de Givenchy), trad op in films die zich meestal in Europese steden (Rome, Parijs) afspeelden en vaak gemaakt werden door in dat werelddeel gevormde regisseurs (William Wyler, Billy Wilder). Ze onderscheidde zich bewust van haar generatie filmactrices, gedomineerd door Brigitte Bardot en Marilyn Monroe; ze zei: 'I think sex is overrated' en reisde, met hondjes en witte asbakjes, als een koninklijke balling door de Verenigde Staten. Hollywood nam ook wraak toen studiobaas Jack Warner Audrey Hepburn de door haar gedroomde rol in de filmversie van My Fair Lady gaf. Daarvoor moest Julie Andrews, die de rol 2717(!) keer op Broadway zóng, wijken. Het kon Warner niet schelen dat Audrey niet zo goed zong, hij liet de songs dubben door Marti Nixon (en zei later: 'Dat doen we zo váák, we hebben zelfs Rin Tin Tin gedubd'). Nog treuriger was het dat Audrey als een krankzinnige op die songs oefende omdat haar was voorgespiegeld dat daar waar het zingen goed ging, háár stem zou worden gebruikt - terwijl de mensen die haar daarbij begeleidden, wísten dat dat niet zo was, maar niemand durfde het haar te vertellen.

My Fair Lady
Het hoofdstuk uit de biografie over het maken van My Fair Lady is aangrijpend door de vernederingen en de bijbehorende zieligheid. De film werd een triomf, kreeg twaalf oscars - maar Audrey Hepburn werd zelfs niet genomineerd. De oscar ging uiteindelijk, dat was de wraak, naar Julie Andrews voor haar rol in de verfilmde musical Mary Poppins. Andrews eindige haar dankwoord ook met het ijzige: 'Dank ook aan Jack Warner, zonder wie dit niet mogelijk was geweest.'


Wat een hoogtepunt in haar carrière moest zijn, werd het begin van het einde. Drie jaar en drie films later, in 1967 - ze had toen in Hollywood nog maar zestien films gemaakt - was er van het sprookje niets meer over en trok ze zich voor langere tijd in Europa terug. De vier films die daarna nog kwamen, waren nauwelijks de moeite waard en alleen voor het geld.

Biografie Audrey Hepburn overleed op 23 januari 1993, vijf jaar geleden. Dat is de reden dat haar laatste biografie (geschreven door de Amerikaan Barry Paris) hier werd vertaald. Toen het boek verscheen (in 1996), constateerden recensenten al dat nu écht alles over Audrey bekend was (en dat dit dus écht de laatste biografie was.) Want vóór dit boek waren er al minstens vijf Amerikaanse Audrey-biografieën, en twee Engelse. De auteurs daarvan maakten uiteraard gebruik van elkaars gegevens, maar plozen ook allemaal dat ganse reservoir van (damesblad)artikelen na dat over deze godin van de magere mode is geschreven. Hepburn was altijd spaarzaam met persoonlijke mededelingen ('Ik ben opgevoed met de stelregel dat het ongemanierd is om over jezelf te praten') met als gevolg dat nogal wat mediakunstenaars het sprookje hebben geromantiseerd en aangedikt; zeker wat betreft Hepburns verzetsverleden. Toen in 1939 de Duitsers in Polen de oorlog begonnen, nam haar moeder, barones Ella van Heemstra, haar haastig mee vanuit Engeland naar haar familie in Velp, want ze rekende erop dat Nederland opnieuw neutraal zou zijn. (Volgens eerdere biografen zou koningin Wilhelmina haar dat zelf gezegd hebben, maar Paris herhaalt dat niet.) De oorlog kwam wél, en de koningin moest via de BBC het verzet mobiliseren. Elke keer als Hare Majesteit sprak, zat het volk aan de radio - en in huize Van Heemstra was het de taak van Audrey om direct na de koninklijke toespraak de radio op een andere zender te draaien, want als de Duitsers het huis binnendrongen om te kijken op welke zender de radio stond afgesteld en het wás de BBC, dan was je er gloeiend bij. Zulke romantische verhaaltjes dus. Audrey was een hartstochtelijk balletdanseresje, maar toen haar balletschoenen versleten waren en er door de oorlog geen nieuwe te krijgen waren, moest ze haar balletlessen wel afwerken op... klompen. En: de jonge Hepburn deed ook mee aan balletuitvoeringen ten bate van het verzet. Buiten het gebouw stonden dan wachtposten om te waarschuwen als er Duitsers aankwamen, applaus en bijval was verboden, en na afloop werd er dan met pet of hoed gecollecteerd voor het verzet.


Deze klok-en-klepelanekdoten staan voor wáár in het boek, andere worden door Barry Paris, die duidelijk zijn best gedaan heeft, wél vermeld maar met de toevoeging dat ze niet kloppen. Maar omdat er zo weinig over Hepburn bekend is - of: te vertellen is - baseert hij ook zijn boek maar weer op die vorige. De Nederlandse uitgever schrijft op de achterflap: 'Audrey Hepburn was altijd een beetje van ons' - dood- en doodjammer dus dat niet één van ons de Arnhemse (en later de Amsterdamse) jeugd van Hepburn (oraal) heeft vastgelegd. Nu berust Paris, ook al omdat het dé grote biografie moest worden, in het weerleggen van de ergste onzin. Het is onjuist, schrijft hij, dat barones Ella van Heemstra het verzet in Arnhem leidde. Zij stond in het begin wel bekend als pro-Duits. Dat was géén dekmantel, maar kwam geheel natuurlijk voort uit het feit dat zij aristocrate was, en die waren allemaal pro-Duits. Dus was het logisch dat ze weleens een Duitse generaal op bezoek kreeg. Maar daarnaast wordt ook beschreven dat de barones, eerder, in Engeland, met haar man Joseph Hepburn-Ruston, lid van de BUF was, de Britse Unie van Fascisten (geleid door Oswald Mosley). In 1935 maakten Ruston en zijn vrouw beiden deel uit van de BUF-delegatie die een bezoek aan Duitsland bracht. Direct na terugkeer verliet Ruston de BUF en zijn vrouw en zijn zesjarige dochter Audrey om lid te worden van een nóg radicaler, nog anti-semitischer fascistengroepje. Daartegenover staan weer door Paris geciteerde 'Nederlandse bronnen' die zeiden dat Ruston een zware alcoholist was, zo erg dat koningin Wilhelmina, als opperhoofd der aristocraten de oude baron Van Heemstra zou hebben opgedragen deze schandvlek uit zijn familie te verwijderen. Audrey Hepburn heeft zelf tegengesproken dat haar vader een bankier was. Hij hield het in geen enkele baan uit en was dus eigen. Dat ze in die Arnhemse tijd een groot ballerina wilde worden, staat vast. Ze had balletles bij Winja Marova, een in die tijd gebruikelijke artiestennaam, waarachter zich (volgens het boek de brave) Winnie Koopman verschool.

Deze gaf met haar leerlingen regelmatig uitvoeringen die in de plaatselijke pers gerecenseerd werden, en élke keer werd vooral Hepburn als uitblinkster geroemd. Dat moet toen een flink ruggensteuntje geweest zijn - maar opmerkelijk genoeg was het later nooit anders. Waar ze ook optrad, trok ze onmiddellijk alle aandacht. Na de oorlog werkte ze in Engeland bij een aantal dansrevues en was steevast de lieveling van het publiek, tot woede van haar collega's: 'Wij kunnen écht dansen, zij doet alsof en tóch kijkt iedereen naar háár.' 'Wij hebben mooie grote tieten, zij heeft niks, en tóch kijkt iedereen naar háár.' Critici en collega's oordeelden zo ook over haar debuut in de Broadway-musical Gigi: geen ervaring, luidruchtig over-acteren - maar als persoon zó boeiend dat je blíjft kijken. Later besteedt Barry Paris pagina's aan de commentaren op het vooroorlogse toneelstuk Ondine van Jean Giraudoux, met hoofdrollen voor Audrey en Mel Ferrer. In twee uitspraken zijn die pagina's samen te vatten: 'Als Audrey niet op het toneel is, valt meteen op wat een godsvervelend stuk het is.' En: 'Wat is het een verrukking om haar bezig te zien, hoe mooi zou het zijn als ze ook een (groot) actrice zou worden.' Waar ze kwam, en bij wat ze ook deed, werd gerept over haar verblindende persoonlijkheid. Tot laat in haar leven. NRC-redactrice Joyce Roodnat schreef aan het begin van een interview in 1988: 'Nog steeds is het onmogelijk haar te zien zonder onder de indruk te raken.' Zo werd ze ook ontdekt: de schrijfster Colette die al tweehonderd actrices had afgewezen voor de musicalbewerking van haar boek logeerde in Monaco in een hotel en zag daar vanuit haar rolstoel (op een tijdelijke filmset) een vrolijk meisje danspassen maken. Na een paar seconden kijken, riep ze: 'Voilà!' en daarna, ook in het Frans: 'There is my Gigi!' (Dat ís natuurlijk een sprookje, maar omdat Colette romanschrijfster was én voorzitster van de Académie Goncourt werd het vanzelf een Europees sprookje.)


Uiterlijk
Fotograaf Cecil Beaton betoogde dat Audrey's ogen abnormaal enorm waren, maar wel prachtig; haar nek te lang maar schitterend; haar wenkbrauwen te dik maar onmisbaar; mond te breed, borst te plat, lijf te lang, maar samen was het goddelijk als een Modigliani. De enige die zich even verkeek, was regisseur William Wyler die, toen ze net aan de opnamen van Roman Holiday waren begonnen, voorzichtig suggereerde dat ze misschien beter some falsies (een voorgevormde bh) kon dragen. Audrey keek hem strak aan, en zei: 'Dat doe ik al.'


Publiciteits foto met Fred Astaire voor 'Funny Face'

Oudere tegenspelers
Haar vrolijkste, meest geslaagde films maakte Hepburn met veel oudere tegenspelers: Gregory Peck, Humphrey Bogart (Sabrina), Gary Cooper (Love in the Afternoon), Fred Astaire (Funny Face), Cary Grant (Charade). (Toen ze het contract tekende voor The Nun's Story, 1959, was de grap van de dag dan ook: 'Ze heeft nu de oudste tegenspeler die ze konden vinden: God.') Ook hier komt de uitleg van Paris weer neer op de magie van Audrey's aanwezigheid: natuurlijk was het even wennen aan zo'n situatie, maar juist dóór die grote ogen en het sprankelend gelaat van Hepburn verdween het ongeloof bij de bioscoopganger - en dan, daarin zag je ook de wijsheid van die Europees gevormde regisseur, bleek ook dat alleen de aanwezigheid van ervaren, oudere en dus bekende acteurs genoeg tegenwicht gaf aan de uitstraling van Audrey. Jongere acteurs hadden naast haar geen kans - haar echtgenoot Mel Ferrer is er het duidelijkste voorbeeld van. (Ab van Ieperen schreef in VN dat de film Oorlog en vrede 'bijna fataal gesaboteerd werd door de houtenklazige Andrei, gespeeld door Mel Ferrer'.) Hun huwelijk eindigde toen het overduidelijk werd dat zíjn droom - samen met Hepburn net als bijvoorbeeld Laurence Olivier en Vivien Leigh beroemd acteurspaar worden - door zíjn onmacht nooit werkelijkheid zou worden. In Hollywood werd openlijk vastgesteld dat Ferrer haar carrière in banen leidde die vooral hem ten goede kwamen; Hepburn heeft zich, in interviews, daartegen altijd bits, maar niet overtuigend verzet. (Eenmaal heeft ze krachtig ingegrepen. Zij had haar vriend, de Parijse modeontwerper de Givenchy, toestemming gegeven haar portret te gebruiken voor zijn nieuwe parfum - 'L'interdit, speciaal gecreëerd voor Audrey' - waardoor hij in staat was vele miljoenen te verdienen. Ferrer stuurde hun agent, Henry Rogers, naar Parijs om een fiks percentage te bedingen, waarna een huilende Audrey de man ontsloeg. 'Ik betaal de Givenchy voor de kleren en het parfum dat ik bij hem koop, en hij koopt een bioscoopkaartje als hij mijn films wil zien. Zo is onze verhouding en zo moet die blijven.' - Europese aristocratie dus versus Hollywood.)

Rimpeltje
Op haar twintigste, in 1950, was Audrey Hepburn netjes verloofd geraakt. In Amsterdam, dansend bij Sonia Gaskell, bestond al het vermoeden dat ze eigenlijk al te oud was voor een danscarrière. (Even tussendoor: haar moeder kwam wel bij de befaamde bierbrouwer Heineken op bezoek. In een gesprek met Barry Paris herinnerde Freddy Heineken zich nog dat hij Rimpeltje - zo werd Audrey genoemd, ze kreeg een rimpeltje als ze lachte - haar eerste les in tapdansen heeft gegeven. Zou Paris beseft hebben wat een brouwer met tapdansen bedoelt?) Toen ze haar balletlessen in Engeland vervolgde, hoorde ze gauw dat haar droom onvervuld zou blijven: niet geschikt als klassieke ballerina. Wat overbleef, was dus de revue, dacht ze, met af en toe kleine rolletjes in snelle Britse films. Maar in ieder geval zou ze (toch) gaan trouwen met Joseph Hanson, toen achtentwintig jaar, zakenman en multimiljonair - tegenwoordig Lord Hanson, tycoon en een van de rijkste Engelsen van dit moment. Hij vertelde aan Paris dat het hem zo verbaasd had dat de harde en strenge barones uit het rigide Holland er geen enkel bezwaar tegen had dat hij het bed met zijn verloofde deelde, integendeel, ze bracht vaak ontbijt op bed. Toen The Times eind 1951 officieel het huwelijk aankondigde, was Audrey al ontdekt, speelde Gigi op Broadway, en maakte daarna keurig de verloving uit toen bleek dat films en tournees het stichten van een gezin onmogelijk maakten. Volgens Hanson was ze een 'eenmans-vrouw', die zich hartstochtelijk had voorgenomen om een herhaling van de tragedie van ruzie en scheiding uit haar jeugd te voorkomen (en die, in haar verlangen naar een gezin, óók nog het verdriet van vier, vijf miskramen moest verdragen).


Trouwdag met Mel Ferrer

Mel Ferrer
De scheiding van Mel Ferrer in 1968 (hun zoon Sean was acht) zag Hepburn als een zware nederlaag, maar niemand hoorde een woord van verwijt; typerend voor Hepburn verliep het uit elkaar gaan in 'een orgie van wellevendheid en welgemanierdheid'.

Paris schrijft, volgens zijn vertaler: 'Waar Mel Ferrer een trotse en strenge latino van het Spaanse type was geweest, was Andrea Dotti er een van het zinnelijke, ontspannen Italiaanse type.' Vaag wordt daar vast mee bedoeld dat iedereen Audrey waarschuwde voor die Italiaan. Het werd haar van alle kanten geadviseerd: probeer het eerst, ga samenwonen, trouw niet - want Dotti was een playboy-psychiater, wiens foto's van nachtclubbezoeken met bekende vrouwen wekelijks in de plaatselijke 'Story' stonden. Omdat lsd had gefaald, was hij op zoek naar een beter middel om depressies bij (aantrekkelijke) vrouwen te behandelen. Maar Audrey was op slag ('alsof een baksteen op mijn hoofd viel') verliefd en dat betekende dús trouwen en een gezin. Ze werd doktersvrouw in Rome, moeder van Lucca (1970), terwijl Dotti, zoals voorspeld, zijn nachtclubleven voortzette. Uit Paris' verslag blijkt dat hij haar vernederde; filmster Eli Wallach zei dat ze door Dotti 'mesjogge' was geworden - en ondertussen puilde de brievenbus uit van filmaanbiedingen (Out of Africa, bijvoorbeeld) die ze allemaal liet lopen - tot het geld begon op te raken.

Vader
Inmiddels had ze allang vrede gesloten met haar vader. In de oorlog was Hepburn-Ruston met andere fascisten geïnterneerd geweest. Na zijn vrijlating dook hij onder in een Iers klooster tot hij na verloop van tijd werk vond bij een verzekeringsbank in Dublin. Audrey vond hem terug in 1960, hij was toen vijfenzeventig jaar en als paardenkenner schold hij haar uit omdat ze zo stom was geweest om zonder zadel te rijden op een zo vurige hengst als Diablo. Hij had zich schuilgehouden omdat hij vreesde dat zijn fascistische verleden haar reputatie zou schaden. Zij stuurde hem daarna nog vijftien jaar elke maand een cheque, zeer tevreden omdat de ontmoeting haar geholpen had de geest van haar vaders verleden, die haar leven zo overschaduwd had te ruste te leggen, om, zoals de vertaler het zegt: 'Het spook ten grave te dragen.'

(Paris' vertaler houdt vaak van letterlijk. Zowel Cary Grant als Audrey wilden - bijvoorbeeld - graag zien hoe ze op de publiciteitsfoto's voor de film Charade stonden, mét het recht ze af te keuren als ze vonden dat ze er niet goed op stonden. De persman zorgde er daarom voor dat Audrey noch Grant van elkaar wisten wélke ze afkeurden. Dat ging goed, zei de persman, 'totdat mijn secretaresse, die ijverig bezig was Audrey's achterste te kussen, een afdruk naar buiten smokkelde die door Cary was afgekeurd en die toen toch gepubliceerd werd'.)


Autobiografie Barry Paris begint zijn boek met de bekentenis dat het schrijven van een biografie van Audrey Hepburn zowel een droom als een nachtmerrie is. Een droom omdat ze zo'n inspirerend leven leidde (uitlopend in inderdaad prachtig werk voor Unicef); een nachtmerrie omdat er geen skeletten in haar kast liggen en niemand iets rots over haar kan vertellen noch verzinnen. (Haar zwarte kokkin, getooid met de ongelooflijke naam Florida Broadway, die ze na My Fair Lady, 1963, mee naar Zwitserland nam, kreeg een keer van haar de opdracht een vlek op de keukenvloer weg te poetsen. Dat was niet háár taak maar die van de meid, maar Audrey zei: 'Je kan toch wel even zélf op je knieën gaan.' De kokkin was 'ontsteld' en zei: 'Mevrouw Ferrer, ik ga alleen op mijn knieën om te bidden.' Waarop Audrey bitste: 'Nou, dan bid je terwijl je die vlek weghaalt.' Dit is een voorbeeld van Audrey op haar gemeenst - en als het al voorkwam, had ze er ook altijd later spijt van.)

Veel uitgevers hebben veel geld geboden voor een autobiografie, maar Audrey Hepburn heeft altijd geweigerd. Ze voelde er niets voor 'om al die ellende nog een keer te beleven'. Haar zoon Sean vat in het boek haar sprookjesleven in één woord samen: angst. En wie Paris zorgvuldig leest, komt al gauw tot diezelfde analyse. Die angsten begonnen al in Brussel toen ze als kleuter de dagelijkse oorlog tussen haar ouders meemaakte, het trommelvuur aan de eettafel, waardoor ze zich begon te verstoppen en eeuwig te kauwen óf op haar nagels óf chocola. De Amerikaanse Diana Maychick schreef, in een biografie die nog verscheen in het jaar dat Hepburn stierf, dat ze al op haar zesde klinisch depressief was, en dat haar leven daarna bepaald werd door anorexia. Maychick beweerde in dat boek ook dat ze al die feiten had genoteerd in lange telefoongesprekken met Audrey zelf; een feit dat haar twee zonen met feiten meenden te kunnen ontzenuwen. Ze spanden een rechtszaak aan, die in ieder geval tot gevolg had dat een al geplande mini-tv-serie over de eetstoornissen bij Audrey ongemaakt bleef. Toen Hepburn na de laatste oorlogswinter in Arnhem (waar ze volgens Paris netels, groen brood en tulpenbollen at) in Amsterdam bij Gaskell studeerde, was ze volgens medeleerlingen die haar in de kleedkamer en onder de douche zagen niet dik, niet mager, maar wel met bolle wangen en stevige benen. De eerste eetwoede (hele potten jam lepelde ze leeg) kwam pas in Engeland, maar plichtsbesef dwong de tijdelijke vette tiener snel terug naar haar gazellenfiguur. Volgens Lord Hanson had ze toen beslíst geen anorexia, wel vaak honger als een paard, en zo at ze ook! Op de boot naar Amerika at ze te veel en de producent van Gigi eiste dat ze zou afvallen. Een dieet van biefstuktartaar werkte zo snel dat ze - ze zag er zo uitgemergeld uit - zoiets nooit meer heeft gedaan. Barry Paris heeft dus goed op haar eten gelet. Op Broadway had ze - na die vermagering - elke middag vreselijke honger en at veel vlees, liefst ossenhaas en zo rauw mogelijk, met veel bloed. ('Soms is het vlees dat Audrey eet zo rauw - aldus de vertaling - dat je zou kunnen zweren dat het vijf minuten tevoren het restaurant was komen binnengalopperen.')

Eetlust Toen (1959) Hal Wallis en Tennessee Williams haar in Zwitserland opzochten om over een rol in Summer and Smoke te praten, brachten bedienden een reusachtige vis binnen. Niets vooraf, niets erbij, niet erna: één grote vis op zijn vel gekookt - en Audrey at het meest en als enige lekker. Ook Mel Ferrer getuigde dat ze normaal en lekker at, en dat ze samen eens in het jaar zich te buiten gingen aan hun feestmaal: kaviaar in gepofte aardappel. Zelf in de keuken maakte ze voor gasten: ei in gelei, gevulde kalfsrollade, Hollandse appeltaart. Overtuigend is natuurlijk dat ze een kokkin had. Ook Florida Broadway heeft nooit iets van gebrek aan eetlust gemerkt: 'Gebraden eend, chocolade soufflé - dat at ze graag.'

Het probleem kwam als ze moest filmen, dan sloeg de angst om te falen toe en werd ze zienderogen magerder. Tijdens Oorlog en vrede werd ze dagelijks bijgevoed, tijdens de opname van Robin and Marian werd ze elke dag volgegoten met bier om maar op gewicht te blijven. Het raakte bekend en ze werd er in televisie-interviews naar gevraagd. Het antwoord was altijd dat het de angst en de zenuwen waren: 'Dan kan ik niet eten en word ik nog magerder. Als ik niet nerveus ben, eet ik wel, maar ik blijf mager omdat ik niet aankom.' Regisseur Billy Wilder, die haar grote schotels spaghetti zag eten: 'Ze heeft het lichaam van een danseres.' Er zijn zoveel getuigen die zeggen dat ze dol was op spaghetti, dat het verbaast dat niemand er ooit aan heeft toegevoegd: wat wil je, met zó'n mond?


'Onze Audrey' Het intrigerende van het boek van Barry Paris is dat we nu alles over 'onze' Audrey Hepburn weten, het gecontroleerde en het ongecontroleerde. Wat anderen vonden van haar lichaam, haar carrière, haar eten, haar angsten en dat is bij elkaar boeiend genoeg. Paris beschrijft hoe ze in haar Amsterdamse tijd dameshoeden kocht, die met veel raffinement verbeterde, en vervolgens weer voor meer geld aan cliënten van haar moeder verkocht. De Givenchy en Ralph Lauren getuigen hoeveel smaak ze had: zíj zocht uit wat ze wilde hebben of wist exact te vertellen wat er voor haar gemaakt moest worden. Tegen Joyce Roodnat (in het al genoemde NRC-interview) zei ze: 'Ik heb altijd een beetje vals gespeeld met ceintuurs. Riemen en strikken trok ik consequent iets hoger dan mijn middel op, om mijn benen langer te laten lijken.' Ze zag haar smaak en de kunst van de kleding 'als een aangeboren bron van kennis'. Ze wist dus heel goed dat haar films, waar ze zo bang voor was, toch meer met haarzelf en de mode van die dagen te maken hadden dan ze ons wilde laten weten. Omdat het nu eenmaal ongemanierd was om veel van jezelf te laten zien.

Daarom is het doodzonde dat ze die autobiografie nooit geprobeerd heeft. Nooit getracht heeft onder woorden te brengen wat ze allemaal moest doormaken omdat ze die ogen, die mond en die lange nek had. Wij zeggen dat ze altijd een beetje van ons was, maar het zou mij niet verbazen als wij haar af en toe ook flink de stuipen mee op het lijf gejaagd hebben.

Bron: vn.nl

Imdb pagina: http://www.imdb.com/name/nm0000030


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: